Omhoog


horizontal rule

 

Het is natuurlijk onbegonnen werk om een volledig overzicht te geven en niets of niemand te vergeten, vandaar een kort overzicht met enkele data en namen (in vetjes, die worden elders in detail besproken, zie ook ‘enkele big bands en hun leaders’ en ‘ABC van de swing’) :

De dolle jaren 20 liepen af met een kater van formaat : de beurscrach en economische depressie van 1929, met donkere jaren 30 als gevolg. Ook voor de nog jonge jazzmuziek braken harde tijden aan : nightclubs gingen dicht, jazzmuzikanten (vooral zwarten) moesten een andere job zoeken. Toch bleven de besten aan de bak : Louis Armstrong, Duke Ellington (die zelfs reeds enkele Europese toernees ondernam), Fletcher Henderson en Count Basie. De swing rage brak nogal plots door en overrompelde de Amerikaanse muziekscène.

        

Dé man die de lont aanstak was Benny Goodman (een clarinettist met brilletje) die in 1934 een big band vormde met het puikje van de toenmalige blanke jazzmuzikanten, naast die twee andere grote bands : de Casa Loma Band o.l.v. Glen Gray, en de Dorsey brothers’ (Tommy en Jimmy) orchestra.
Na een moeizame start kreeg Goodman de kans op te treden in een radioshow, Let’s Dance, eind 1934. De grote doorbraak kwam in Los Angeles, in de Palomar dansclub, waar de ‘swing era’ pas écht uit de startblokken schoot. Jongeren waren er dol op, en het duurde niet lang of Goodman werd de ‘king of swing’ genoemd.

Toch was hij niet de enige. Alle grote musici uit Chicago en New Orleans vormden dansorkesten en speelden leuke dansmuziek.
Goodman’s eerste grote rivaal werd Count Basie (pianist), die de basis legde van zijn typische verfijnde ‘Kansas City style’ swing en in zijn band groot ontluikend talent kweekte (bijv. de saxofonist Lester Young).

Enkele succesvolle bands uit die jaren : de ‘zwarte’ bands van Jimmie Lunceford, Chick Webb, Cab Calloway. ‘Witte’ bands van Artie Shaw, Tommy Dorsey en zijn broer Jimmy, Bob Crosby (jonger broertje van Bing).

Omdat het dansorkesten waren, werden in het swinggenre allerlei variaties en nieuwe danspassen bedacht , bijv. het ‘eight-to-the-bar’ aanstekelijke ritme van de boogie-woogie dat leidde tot de jitterbug, een spectaculaire acrobatische ‘partner-over-de-rug’ zwierdans.

Andere figuren bouwden een uitstekende reputatie op als bandleider : Louis Armstrong, Duke Ellington, en dikke grapjas-pianospeler Fats Waller.

De grote (‘big’) bands versnipperden soms tot kleine groepjes, combos, zoals die van Benny Goodman, Teddy Wilson, de vibrafonist Lionel Hampton, en de spectaculaire drummer Gene Krupa . Krupa werd snel de beste jazzdrummer van zijn tijd. Aan Goodman ook hebben we het te danken dat hij de eerste ‘mixed’ band van blanke en zwarte muzikanten samen gevormd heeft.

De big bands overgoten zowat alle gangbare jazzgenres met een vlot, gepolijst, commercieel sausje, met erg aanstekelijke en opzwepende ritmes voor het dansgrage volkje. Plaatjes met hapklare deuntjes rolden massaal van de persen, vooral in de oorlogsjaren 40 – 45, toen swingjazz de Amerikaanse troepen overal ter wereld en het thuisfront moreel ondersteunde en zorgde voor verstrooiing en escapisme.

Nieuwe ‘kings of swing’ traden aan : de trompetspeler Harry James (die de piepjonge crooner Frank Sinatra lanceerde), maar vooral de razend populaire Glenn Miller. Zelfs de Duitse troepen luisterden stiekem naar de swingende classics (In the Mood, Moonlight Serenade, Little Brown Jug, enz.) van Miller ! (swingmuziek was trouwens streng ‘verboten’ in nazi-Duitsland, en de weinige rebelse Duitse jongeren die het toch aandurfden swing te draaien en te dansen – swingkids genoemd – werden in kampen opgesloten).

Toegegeven, swing werd alsmaar vlakker en zoeter (af en toe doken er zelfs strijkers op in de arrangementen !), met Europese en Zuidamerikaanse swingbands en dito variante stijlen : cuban swing, latin swing (Xavier Cugat), bands werden grote ‘orchestras’, en doken op in musicals of speciale muziekfilms (de videoclips avant la lettre) : Stormy Weather, Swing Time, enz.

Toch hielden de ‘puristen’ van het genre stand, en ‘witte’ muzikanten zoals Charlie Barnet en Woody Herman klonken ‘het zwartst van de blanke bands’.

In die bonte wereld van populaire big bands en de ‘ware’ jazzgroepen bloeiden ook enkele grote zangtalenten open : Mildred Bailey, Billie Holiday en Ella Fitzgerald bij de zwarte dames, Helen Forrest, Peggy Lee en Doris Day (bij de band van Les Brown) bij de blanke zangeressen. Naast Dick Haymes, Johnny Mercer, e.a. werd de absolute swingende zanger nummer één, the Voice, Frank Sinatra.

Het einde van de swing kwam er nogal ironisch-romantisch en vrij abrupt met de dood van Glenn Miller. In december 1944 crashte zijn vliegtuig in de Middellandse zee.
Big bands werden stilaan erg duur om te onderhouden en te contracteren. Ook barstten ze van het talent dat op eigen vleugels wilde vliegen, en eigen, nieuwe jazzgenres wilde uitproberen (bebop), solisten die van de ooit zo aanstekelijk dansbare nummers overgearrangeerde, artistiekerige uitgesponnen versies brachtten, dat het danspubliek letterlijk stil viel, ademloos toeluisterde, beleefd applaudisseerde en ... van de dansvloer wegbleef.

Jammer, maar jazz sloeg onverbiddelijk nieuwe wegen in, en da’s een ander verhaal...


horizontal rule

Bezoek onze sponsors:

Stad Gent : www.gent.be
Divantoura : www.divantoura.com

Copyright © 2001-2006 . Alle rechten voorbehouden.
Laatst bijgewerkt: 21 juni 2008.

 

 

 

 

 

Click Here!